Poelepetaten5 mei 2010Het gaat goed met onze Lotharingers. Ze zijn in korte tijd heel hard gegroeid. Niet vanzelf overigens. Na het gesjouw met kleine zakken brokjes wordt het tijd voor grover geschut. Morgen haal ik een pak van 25 kg.
Die konijnen toch, ik kan uren naar ze kijken. En zij kijken uren naar mij. Het gekraak van een rits doet hun grote zwarte al oren spitsen. En komt er een vliegtuig over, dan staan ze alledrie rechtop. Nieuwsgierige aagjes zijn het. Net als hun baas.
Vandaag fiets ik door de Utrechtse polder. Flarden gedachten komen en gaan. Net als mijn haren. Hoe zou het zijn met de geitenboeren? Wat spuit die boer daar in het gras? Heb ik mijn final paper nou af of niet? En wat een vreemde vogel zit daar in de wei.
Dan valt mijn oog op een koppel poelepetaten. Zwart wit gevlekt zijn ze. Mijn gedachten gaan 35 jaar terug. Naar opa op de boerderij. Opa, die zijn kleinkinderen meeneemt naar de veemarkt. Opa, die ons haring leert eten aan de kraam. Opa, die me grinnikend een moeilijk woord leert – poelepetaat – met zijn pet scheef op zijn hoofd.
Poelepetaat, wat een rare naam. Heeft opa me in het ootje genomen? Met het zweet nog op de rug surf ik thuis snel naar Google. Jawel hoor, poelepetaten bestaan echt! Misschien kan ik ook een koppel parelhoenders er bij nemen in de tuin. Want met die enorme konijnen, bessenstruiken en ander moois begint het hier toch al op een boerenerfje te lijken. En dat in de stad. De appel valt niet ver van de boom. Bedankt opa!